Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven

Kloosterleven

Deze webpagina geeft een overzicht van de meest essentiële elementen uit het kloosterleven.

Kloosterlingen noemen zichzelf ook wel religieuzen. Deze benaming zorgt voor verwarring: veel mensen noemen zichzelf religieus, en wat is dan het verschil met religieuzen? Bijna alle mensen houden zich op bepaalde momenten in hun leven bezig met religieuze vragen: vragen rond de zin van het bestaan. Kloosterlingen kiezen echter voor leefvormen en activiteiten waarin die vragen structureel aandacht krijgen.

Bij het Nederlandse kloosterleven gaat het bijna uitsluitend om de katholieke geloofstraditie. Er zijn kloosterlingen die binnen de kloostermuren leven (zogenoemde contemplatieve religieuzen: monniken en monialen) en kloosterlingen die in de samenleving werkzaam zijn. De laatste groep is het grootst: ca. 95% van de kloosterlingen behoort tot de actieve religieuzen. Er zijn kloosters voor mannen en kloosters voor vrouwen. Vrouwelijke kloosterlingen worden zusters genoemd. De mannelijke kloosterlingen zijn verdeeld in paters en broeders. Paters werden tot priester gewijd, broeders of fraters zijn mannelijke kloosterlingen zonder priesterwijding.

Je wordt kloosterling door toe te treden tot een kloostergemeenschap: een orde of een congregatie. In grote lijnen kun je zeggen dat orden gesticht zijn vóór 1600 en congregaties in latere eeuwen. Vroeger bestond er tussen beide vormen een kerkrechtelijk verschil, maar dat is bijna verdwenen. Een orde of een congregatie heeft vaak meerdere vestigingsplaatsen. Soms zijn die plaatsen juridisch en financieel autonoom, maar meestal zijn ze verantwoording schuldig aan een hoger bestuursorgaan. De hoofdvestiging in Nederland heet dan generalaat of - als het om een internationale gemeenschap gaat - provincialaat. Voor deze vestiging wordt ook de term moederhuis gebruikt. Ondergeschikte vestigingen heten succursalen of bijhuizen. In Nederland hadden ca. 250 orden en congregaties in de afgelopen twee eeuwen enkele duizenden vestigingsplaatsen. In zo'n vestigingsplaats woont een convent of communiteit. Die variëren in omvang van 3 tot meer dan 100 leden.

De klassieke weg om kloosterling te worden is een lang proces. Allereerst vindt een periode van kennismaking plaats: je wordt postulant (letterlijk: iemand die rondwandelt). Het gaat om een proefperiode. Daarna volgt een tijd van opleiding: het noviciaat. Deze periode begint met het ritueel van de inkleding, waarbij de nieuwe kloosterling het habijt of een ander kenmerk krijgt aangereikt. In vrouwelijke kloostergemeenschappen werd het ritueel lange tijd expliciet beleefd als een alternatief voor het huwelijk: de novice begon de plechtigheid in een bruidsjapon, als 'bruid van Christus'. In vroegere tijden werd op dit moment tevens de kloosternaam gekozen. Een novice wordt gevormd in de traditie en spiritualiteit van de gemeenschap. Bij actieve religieuzen is er ook sprake van een beroepsopleiding, zodat de novice later kan bijdragen aan de externe activiteiten van de gemeenschap. Het noviciaat duurt een of twee jaar.

Na de opleidingstijd volgt de tijdelijke professie. De novice verbindt zich voor een beperkte tijd (vaak drie jaren) aan de orde of congregatie en legt geloften af van armoede, gehoorzaamheid en celibaat. Pas als deze periode is verstreken, breekt het moment aan voor de eeuwige professie waarbij geloftes voor het leven worden gedaan. De kloosterling verbindt zich aan de kloostergemeenschap en omgekeerd accepteert de gemeenschap de verantwoordelijkheid en de zorg voor dit lid.

De afspraken en procedures die nodig zijn om het doel van de gemeenschap te realiseren, zijn vastgelegd in regels en gebruikenboeken (constituties). Bijna alle kloostergemeenschappen kiezen hun bestuurleden en oversten in een democratische procedure die kapittel wordt genoemd. Oversten hebben verschillende aanspreektitels: abt, abdis, prior, priorin, gardiaan, provinciaal, magister-generaal enz. In het klooster gebeurt veel op vastgestelde tijden. Een dagorde regelt de tijden van opstaan, eten, werken en bidden. De dagorde is van praktisch nut, maar schept ook ruimte om aandacht te besteden aan de zin van het leven.

Momenteel kennen verschillende kloostergemeenschappen ook andere vormen van toetreding dan de weg die hierboven is beschreven: zij bieden tijdelijke lidmaatschappen aan of mogelijkheden om in bepaalde opzichten met de gemeenschap mee te leven.